Wetenschappers winnen DNA uit dier dat 130 jaar geleden uitstierf

Doorbraak in paleogenomica onthult geheimen van uitgestorven soorten

Het onderzoek naar verdwenen diersoorten heeft een enorme sprong voorwaarts gemaakt dankzij paleogenomica – een wetenschappelijk vakgebied dat zich richt op de analyse van oud DNA. Toch heeft deze methode duidelijke beperkingen als het gaat om begrip van hoe weefsels functioneerden of welke celprocessen zich afspeelden in het lichaam van een uitgestorven dier.

In dit verband heeft recent onderzoek een baanbrekend resultaat bereikt. Voor het eerst is het gelukt om genetisch materiaal gerelateerd aan de celactiviteit van een uitgestorven dier te analyseren, waardoor wetenschappers verder konden gaan dan simpele genoomsequencing en overgingen naar een functionele lezing van zijn biologie.

Revolutionaire aanpak onthult hoe onderzoekers DNA van uitgestorven dieren extraheren

Dit baanbrekende werk, gepubliceerd in het tijdschrift Genome Research, werd geleid door wetenschapper Marc R. Friedlander van de Universiteit van Stockholm in samenwerking met verschillende nationale onderzoekscentra. Het onderwerp van de studie was de Tasmaanse tijger of thylacine, een roofdier dat in de 20e eeuw uitstierf na decennia van intensieve jacht en habitatverlies.

Het laatste geregistreerde exemplaar stierf in 1936, en delen van zijn lichaam werden bewaard in een natuurhistorisch museum op een droge locatie bij kamertemperatuur.

In tegenstelling tot DNA, dat aantoont welke genen bestaan, richtten wetenschappers zich op RNA, een fragielere molecule die weerspiegelt welke genen actief waren in een specifiek weefsel. Deze benadering is cruciaal om te begrijpen hoe de cellen van het uitgestorven dier functioneerden toen het nog leefde.

Tot nu toe werd aangenomen dat RNA niet zo lang buiten een levend organisme kon overleven, maar onderzoek toont aan dat droge conservering de chemische afbraak ervan kan vertragen.

Bewijs dat genetisch materiaal authentiek is van deze verdwenen soort

Een van de belangrijkste uitdagingen was het bewijzen dat het geanalyseerde RNA werkelijk toebehoorde aan de thylacine en niet aan moderne verontreinigingen. Hiervoor werkte het team in laboratoria die waren ingericht voor onderzoek naar oude moleculen en paste strikte controles toe om mogelijke menselijke interventie te traceren.

De resultaten toonden aan dat de meeste sequenties overeenkwamen met het bekende thylacine-genoom, terwijl sporen van menselijke tussenkomst minimaal waren en overeenkwamen met historische praktijken bij de verwerking van monsters.

Daarnaast werd een metatranscriptomische methode gebruikt, waarmee de oorsprong van alle RNA-moleculen in het monster kon worden geïdentificeerd. Deze methode hielp bij het scheiden van fragmenten van het uitgestorven dier van fragmenten van microbiologische of ecologische oorsprong.

Een andere belangrijke indicator waren de chemische beschadigingen die in de moleculen werden gedetecteerd. Het degradatiepatroon kwam overeen met het patroon dat kenmerkend is voor oude materialen, wat de authenticiteit van de verkregen gegevens bevestigde.

Verrassende inzichten uit weefselanalyse van 130 jaar oud specimen

Het onderzoek concentreerde zich op spier- en huidmonsters. In spierweefsels waren de sterkste signalen gerelateerd aan samentrekking en energieverbruik, bijvoorbeeld bij langzame spiervezels. Dit profiel komt overeen met de anatomische positie van het monster, genomen nabij het schouderblad, en verschaft directe functionele informatie over het uitgestorven dier.

In het RNA geëxtraheerd uit huidweefsels domineerden genen gerelateerd aan keratine, een eiwit dat nodig is voor externe bescherming. Er werden ook sporen van hemoglobine-RNA gevonden, wat aangeeft dat er bloed in het monster aanwezig was tijdens de voorbereiding.

Hoewel huid kwetsbaarder is voor externe verontreinigingen, vormden de thylacine-sequenties nog steeds de meerderheid.

Toen wetenschappers deze profielen vergeleken met die van moderne kangoeroes en honden, waren de resultaten consistent: huid gedroeg zich als huid, en spieren als spieren. Deze parallel bevestigt het nut van oud RNA voor nauwkeuriger onderzoek naar de biologie van uitgestorven dieren.

Wetenschappelijke betekenis die de toekomst van paleontologie verandert

Een van de belangrijkste aspecten van dit werk was de identificatie van microRNA, kleine regulerende moleculen die de eiwitproductie beïnvloeden.

Dankzij het herstelde RNA hebben wetenschappers de catalogus van bekende thylacine-microRNA’s aanzienlijk uitgebreid en zelfs een variant geïdentificeerd die specifiek is voor deze soort, wat niet kan worden bevestigd met alleen DNA.

Bovendien verbeterden de gegevens de annotatie van het genoom van het uitgestorven dier, waarbij regio’s werden geïdentificeerd die in eerdere studies over het hoofd werden gezien. Dit vergemakkelijkt betrouwbaardere vergelijkingen met moderne soorten en vermindert het aantal fouten in toekomstig onderzoek.

De analyse detecteerde ook sporen van oude RNA-virussen, hoewel de auteurs benadrukken dat voorzichtigheid geboden is. Als deze resultaten in andere studies worden bevestigd, kunnen musea onverwachte archieven worden van virusevolutie.

Deze ontdekking toont aan dat moleculair onderzoek naar uitgestorven dieren niet beperkt blijft tot het genetische verleden, maar een uitgebreider begrip kan bieden van hun biologische functioneren.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven